28 juni 1994. 's Ochtends gingen we voor controle naar het ziekenhuis in Enschede. Een paar uur later kwamen we terug met een 9 pond zware baby. De avond ervoor hadden we nog gebadmintond. 'Je speelt echt beroerd,' zei Dick. Tja. Wat kan ik zeggen. Het was warm.
1994 was de een-na-warmste zomer in meer dan 100 jaar. Niet dat we er veel last van hadden. We waren net acht maanden in Indonesië geweest voor onze taalcursus, en ik zou gewoon daar bevallen, in de tropische hitte, ver weg van alle familie en vrienden. Dat we in Nederland waren, was alleen maar omdat de dokter op Papua had gezegd dat het veiliger was om in Jakarta te bevallen, omdat er wel eens wat mis kon zijn met de baby. En omdat de dokter in het Pondok Indah Hospital in Jakarta bijzonder zorgelijk keek. 'Die baby ziet eruit alsof hij elk moment geboren kan worden,' zei ze, terwijl ze met de echokop over mijn buik ging. 'We moeten meteen beginnen met longrijpingsprikken. Heb ik al gezegd dat de placenta verkeerd ligt?'
'Kom maar naar Nederland,' zei de gynaecoloog uit Enschede, die ook al niet te spreken was over het feit dat ik medicijnen had moeten slikken om het vruchtwater te verminderen. 'Ik vind dit maar niks.'
Ik dacht dat ik zwanger was van een monsterbaby en dat ik elk moment kon bevallen. Dat viel mee. Richard liet nog ruim acht weken op zich wachten, en hij was geen reus, maar een behoorlijk schattig baby'tje. Het best gelukte baby'tje dat ik ooit gezien had. En hij blééf schattig. Ook toen hij ouder werd.
Tjonge. Zeventien jaar al weer. En net zo'n warme dag.