Twee nieuwe boeken: Het doorgezaagde zusje en De dropbom. Klik op het omslag voor meer informatie over het boek en om alvast een stukje te lezen.
Oranjeboeken
Meer info over een van deze boeken? Alvast een stuk lezen? Klik hier en zoek in in de lijst met boeken.
Weblog
trots
Op de NJIS leren alle kinderen piano spelen. En viool. Of altviool. Of contrabas. Er is een orkest, een koor, een toneelgroep, een rockband, en als er een uitvoering is, worden alle studenten geacht iets te doen, ook al is het maar eenvingerig 'old MacDonald' op de piano spelen.
'Wij moeten een menuet van Händel,' zuchtte J. een paar weken geleden. 'Met z'n drieën.'
'Moeilijk?'
'Nee, gaat wel hoor.'
Hij verdween met zijn twee drielingbroers in hun kamer, en even later klonk er een hoop gepiep en geknars. Ze worstelden zich in broederlijke wanhoop door het stuk heen.
'We willen het eigenlijk dedicaten aan tante Janneke,' zei L. een week later. 'Wat is dat in het Nederlands, dedicaten?'
Mr Jones, de aardrijkskunde- en geschiedenisleraar van de NJIS, verwacht veel van zijn grade 6. Elke les, twee maal in de week, moeten zijn leerlingen een A-4tje inleveren met daarop het what, who, why en where van een current event uit de krant. Én ze moeten hun mening erover geven.
Wat betekent dat wij de avond vóór Social Studies met z’n allen koortsachtig in de Jakarta Post aan het bladeren zijn op zoek naar gebeurtenissen die recent, non-violent, en níet sport-related zijn. En dat valt nog niet mee als je drie zoons in grade 6 hebt, die allemaal een ander current event nodig hebben voor de volgende dag. We weten inmiddels alles over de Indonesische economie, de corruptie en de illegale houtkap.
Klasgenoot Chang Yung interpreteert de regels intussen op geheel eigen wijze. Hij heeft...
De eerste dagen in Nederland zien we eruit als een ouderwets zendingsgezin op verlof. De jongens hebben te korte broeken, Dick loopt rond in een bijzonder achterhaalde fleecetrui, en ik draag sandalen, wat bijzonder koud blijkt te zijn als je ermee door dertig centimeter sneeuw loopt. Zolang je in Indonesië bent, zolang je in het vliegtuig zit, kun je je niet voorstellen dat het echt koud is in Nederland. Maar het is koud, en we zijn er niet op gekleed. We hebben kleren nodig, en schoenen. Verdwaasd lopen we rond in de We en door C&A. Die rare dunne vestjes, de truien met puntruiten, de geblokte overhemden, de heupbroeken. Wat is er gebeurd in de zeven jaar dat we weg zijn geweest? Is Nederland terug in de eighties?
Nee. Dit zijn wij. Aliens in eigen land. Zeven jaar Jakarta, en we zijn ontheemd geraakt. We moeten inburgeren. Nu meteen. Niet toegeven aan ons modegevoel uit 2002. Ik ruk voor mijn jongste zoon een skinny spijkerbroek van een rek. Het blijkt een meisjesbroek te zijn. Die niet past bovendien.
Vanuit de sneeuw, oké, de sneeuw van een week geleden, wensen Mak & Oranje & Makken jullie een geweldig 2010 met
* niet nóg meer oudjaarsavonden, want wij haten oudjaar en we hebben 12 uur 's nachts met moeite gehaald, en dat enkel en alleen omdat het zo hoort.
* echte Nederlandse kaas en niet de cheddar uit Australië, die zoals iedereen weet...
Met z'n zessen droegen ze de kist de kerk in, Jannekes vijf zussen en haar beste vriendin, terwijl haar ouders er hand in hand achteraan liepen. Haar oudste broer speelde 'schmücke dich, o liebe Seele' op het orgel. Een stuk dat hij speciaal voor haar had ingestudeerd, en dat hij nooit meer zal kunnen spelen zonder aan haar te denken.
Het is niet te geloven dat ze er niet meer is. Dat ze niet meer hier is, in elk geval. Hoe kan iemand longkanker hebben, hoe kan iemand zo ziek zijn, zo vlakbij de dood, zonder het gemerkt te hebben? Doorwerkend alsof er niets aan de hand was? Ik zal wel weer overspannen zijn, dacht ze. En ze zette haar tanden op elkaar, verbeet de vermoeidheid en ging door. Tot het niet meer kon, en ze op een zaterdagavond naar de huisartsenpost ging, omdat ze zo benauwd was. Ze werd er weggestuurd. Twee weken later was ze dood.
Beste mevrouw van de Hema, die zo geërgerd reageerde omdat er een meneer al bellend wilde pinnen. ‘Die meneer is aan het bellen,’ liet u de mensen in een andere rij weten. ‘Niet zo netjes.’
Iedereen was het uiteraard met u eens, en mensen haastten zich om te zeggen dat ze het nooit zouden doen, bellen aan de kassa. En u deed net of u de pinkaart in zijn hand niet zag en wachtte tot hij had neergelegd. Een principekwestie waarschijnlijk. U bent zat van al die ongeïnteresseerde mensen die bij u aan de kassa komen en al bellend willen betalen. Die net doen of u er niet bent.
Zal ik u wat zeggen? Die meneer met bruine jas en de vier zoons zou normaal ook niet staan bellen terwijl hij aan uw kassa stond. Die meneer is normaal de vriendelijkheid en attentheid zelve. Maar hij is net een anderhalve week geleden uit Indonesië aangekomen, hij heeft vijf dagen aan het sterfbed van z’n zusje gezeten en hij is nu met zijn familie een begrafenis aan het regelen. Hij moet sokken kopen voor zijn vier zoons, en riemen voor hun afzakkende broeken. Hij moet een verzekering regelen en nadenken over wat hij gaat zeggen op de begrafenis, en een orgelstuk instuderen om te spelen tijdens de rouwdienst.
Neem het hem niet kwalijk dat hij zo asociaal stond te bellen terwijl hij bij uw kassa stond.
er gaat een meisje dood,
een vrouw
(die lachte, praatte,
at en dronk
die zonder na te denken ademhaalde,
en fluitsonates speelde
fietste, zong)
ligt stil op bed
en vecht voor elke ademteug
(ik heb de beste reisverzekering
zei ze,
herinner me daaraan)
en in de hemel wordt vast plaats gemaakt
een kamertje, een bed met krakend linnen
een bank, een fluit
de bladmuziek van Bach
haar vader staat al op de oprijlaan,
hij snelt haar tegemoet
daar was je dan,
kom binnen, het is feest,
we hadden je verwacht
Wat ben ik blij dat Dick al in Nederland bij zijn zus is, zonder ons. Dat hij zich niet druk hoeft te maken over het kopen van lange broeken en truien voor kinderen in allerlei verschillende maten, over het maken van kopieën van paspoorten, het regelen van een belastingbrief voor de douane, het inpakken van koffers, het cancellen van tickets en alle normale dagelijkse bezigheden: een kerstuitvoering op school, met een kind naar de wrattendokter, rapporten, broodtrommels, drinkbrekers, zwembroeken.
Ik probeer alles in mijn eentje te regelen en terwijl dat normaal geen probleem is, gebeuren er nu ineens vreemde dingen. Ik zoek overal naar mijn nieuwe Nederlandbroek en mijn drie truien, en kom tot de ontdekking dat ik ze gisteren aan de vuilnisman heb meegegeven in plaats van ze in de wasmand te gooien. Ben er niet helemaal bij met mijn hoofd.
Maar soms gebeurt er ineens iets leuks. Iets aardigs. Zoals het mailtje dat ik net van Budget Air kreeg.
Een goeie recensie is een onverwacht cadeautje. Helemaal nu.
Voor Matteo is maar een ding belangrijk: voetballen. Hij is aangenomen op de Voetbalschool van Sc Heerenveen en bereidt zich voor op een belangrijke wedstrijd tegen FC Groningen. Omdat Matteo nog in zijn proefperiode zit, maakt hij een spannende tijd door. Is hij goed genoeg om aangenomen te worden? De opa van Matteo, zelf profvoetballer geweest, gelooft er stellig in. Dan blijkt, dat opa ernstig ziek is. Matteo zorgt voor een geweldige verrassing. Kan opa nog bij de wedstrijd zijn? Deel 4 in de serie 'Superfriezen'*, zelfstandig te lezen. De auteur heeft inmiddels bijna dertig boeken op haar naam staan, waaronder 'Storm in bad' met de Hoogste Woord-prijs 2007. Ze schrijft met veel humor en weet de emoties van de hoofdpersonen op een rake manier te verwoorden. Het verhaal sluit goed aan bij de leefwereld van vooral jongens en roept bij de voetballiefhebbers veel herkenning op. Verschillende hoofdstukken worden afgesloten met leuke weetjes over voetballen.
Totaal onverwacht zijn we dit jaar met kerst en oudjaar in Nederland. Dat zou leuk moeten zijn, maar dat is het niet. Dicks zus is plotseling ernstig ziek geworden. Zo ziek dat we zo snel mogelijk terug moeten komen.
Eind vorige week regelden we tickets naar Nederland. Heen op de 21e december, terug op 11 januari. Vanmorgen hoorden we dat we beter niet kunnen wachten tot 21 december.
Het lukte me om voor Dick een enkeltje Amsterdam te kopen. De KLM zat al vol, maar Malaysian Airlines had nog een stoel, vanmiddag. Een paar uur later was Dick op weg.
Volgende maandag ga ik met de jongens achter hem aan. Maar wat moest ik met Dicks KLM-vlucht, die hij niet meer nodig heeft? Cancellen?
'Zo Ibu Corien,' zegt pak Aka, een van de gevangenishoofden met wie ik regelmatig te maken heb. 'We hebben nog maar weinig met elkaar kunnen praten. Hebt u even tijd?'
We zitten samen in zijn kantoor, en alle andere medewerkers zijn om onverklaarbare reden niet aanwezig.
'Ja hoor, ik heb even tijd.'
Hij schuift een stoel bij en vraagt wat ik wil drinken. Koffie misschien?
'Water,' zeg ik. Ik wil helemaal niet drinken. Als er iets is dat ik niet wil is het hier naar de wc moeten. Ik droog liever uit dan dat ik in een mannengevangenis naar de wc moet.
Een gedetineerde komt twee flesjes water brengen, en pak Aka draait met flesje voor me open en steekt er een rietje in.
Dat ik er zo cakap uitzie, vindt hij.
Cakap? Wat is cakap ook al weer? Hij zal wel bedoelen dat ik zo passend gekleed ben, in mijn zwarte broek en keurige bloesje, mijn kruisje en mijn naamkaartje. Ik zie eruit als een gevangenispastor, en dat ben ik dan ook.
'Cantik,' zegt pak Aka.
Alle alarmbellen beginnen te rinkelen. Cantik? Knap? Wat krijgen we nou?
'Hoe oud bent u eigenlijk? Dat mag ik toch wel vragen?'
Elke tweede dinsdag van de maand is het zorg-voor-het milieu-dag bij onze supermarkt in Jakarta. De boodschappen worden dan voor de verandering niet in plastic tasjes, maar in dozen gepakt. Of in tassen die je zelf meeneemt. Wij zijn een beetje vreemde klanten. Wij nemen altijd onze eigen boodschappentassen en kratjes mee, en we pakken ze zelf in. Een heel gevecht soms, want er zijn altijd teveel medewerkers in Indonesische winkels, en iedereen wil graag helpen.
Het is vandaag niet de tweede dinsdag van de maand, en dus houdt de geüniformeerde bewaker me tegen als ik naar binnen wil gaan. 'Mevrouw, kunt u uw tassen even afgeven?'
'Die tassen zijn voor mijn boodschappen.'
'Even afgeven, alstublieft.'
Ik weet dat ik beleefd en vriendelijk moet blijven - Nederlandse rechtvoorz'nraapheid wordt hier als buitengewoon bot ervaren - maar dit is al zo vaak gebeurd dat het me niet lukt, vandaag.
Elk jaar in de regentijd stroomt Jakarta onder. Onder andere door die plastic tasjes die je bij elke tube tandpasta, bij elke strip paracetamol, bij elk zakje snoep krijgt. De kanalen zijn zo verstopt dat ze het water niet meer aankunnen. Overal ligt afval. Vuilniszoekers staan tot hun middel in de stinkende rivieren om het plastic eruit te vissen. Ze wassen de plastic tasjes uit en laten ze drogen, om ze later weer door te verkopen. Het is smerig en mensonterend en ziekmakend.
'Als ik mijn tassen niet mee mag, ga ik wel ergens anders heen.'
'Hé mam,' zeg mijn jongste zoon. Hij duwt mijn een pak crackers onder mijn neus. 'Waarom staat hier 1 2 3?'
Ik knipper met mijn ogen. Er staat helemaal geen 1 2 3 op het pak crackers. Er staat 一 两 三.
'Hoe weet jij dat dat 1 2 3 is?'
'O, gewoon, geleerd bij Mandarin.'
Wow! Mijn zoon leest Chinees! Nou ja, een heel klein beetje dan. Want het wil verder niet echt lukken. Ondanks de voortvarende aanpak van juf Wang Lou Sye kunnen mijn zoons na drie jaar Mandarin niet veel meer dan goeiemorgen zeggen, tot tien tellen en een liedje zingen waar ze geen woord van begrijpen. Een goed gesprek zit er niet in.
Ik vind het geen probleem, want volgend jaar gaan we terug naar Nederland, dus dit is het laatste jaar dat ze Chinees zullen leren. Tenzij China de wereld overneemt en Chinees de nieuwe wereldtaal wordt, in welk geval mijn zoons een aanzienlijke voorsprong zullen hebben.
Ik had nog nooit van Nanowrimo gehoord, tot een Belgische vriendin me vertelde dat ze haar drie kinderen eraan mee wilde laten doen. Ze gaf thuisonderwijs, dus ze hoefde Jesper, Wout en Eva er niet voor van school te houden, en een maand later liet ze hun drie zelfgeschreven boeken inbinden. Oké, ze hadden niet de 50.000 woorden niet gehaald, maar dat is ook niet verplicht voor kinderen onder de 12.
Tijdens de National Novel Writing Month proberen deelnemers van over de hele wereld (hoezo national novel writing month) in 30 dagen een roman van 50.000 woorden te schrijven. Ik stond altijd nogal sceptisch tegenover dit streven - ik kon me niet voorstellen dat er veel lezenswaardigs uit voort zou komen, en waarom zou je heel snel een hele slechte roman schrijven?
Maar John Green heeft me in een van zijn wekelijkse videoboodschappen er bijna van weten te overtuigen om mee te doen. 'Natuurlijk kun je geen roman schrijven in een maand,' zegt hij. 'Je moet dit zien als het opgraven van de klei waarmee je gaat boetseren.'
Oké. Als ik niet bezig was met een roman, zou november misschien toch het moment zijn waarop ik eraan zou beginnen.
Wat zou ik graag een coole moeder willen zijn. Zo een waar je als zoon mee voor de dag kan komen. Volgens mij was ik dat ook wel, tot een jaar of drie geleden, maar het tij is gekeerd, en tegenwoordig ben ik iemand om je voor te schamen. Ik draag de verkeerde kleren ('Mam! Décolleté!'), zeg de verkeerde dingen, vooral tegen vriendjes ('Mam! Dat ZEG je toch niet!') en maak de verkeerde grapjes ('Maham. Dat is niet leuk').